Dirk-Jan van Ginkel:
De moedersterfte in het ziekenhuis van Gushegu
Zoals u wellicht in eerdere delen van deze serie over het onderzoek hebt gelezen is de moedersterfte in Ghana hoog: in 2017 overleed naar schatting 1 vrouw per 325 levend geboren kinderen. In Nederland overleed in datzelfde jaar 1 vrouw van de 20.000 ten gevolge van haar zwangerschap. Om deze ernstige gebeurtenissen beter te begrijpen hebben wij, mijn vrouw Nelske en ik, onderzoek gedaan naar de moedersterfte in het ziekenhuis in Gushegu over een periode van vijf jaar tot half 2018. Het doel was om deze sterfte in de toekomst te verminderen door beter inzicht te krijgen in de onderliggende oorzaken en bijdragende factoren. Daarom hebben we ons op twee manieren in de maternale sterfte verdiept. In eerste instantie hebben we (na een intensieve zoektocht) naar de medische kant gekeken door de dossiers en rapporten van de vijftien sterfgevallen in deze periode te bestuderen. Hieruit bleek dat de meeste moeders overleden waren door verbloeding na de bevalling en door bijkomende complicaties, zoals een longontsteking of hartfalen. Met name die eerste oorzaak is door goede medische zorg te voorkomen.
Vervolgens hebben we vier van de vijftien families, zowel in Gushegu als in omliggende plaatsen, opgezocht en de naaste familieleden geïnterviewd die deze verdrietige gebeurtenissen hebben meegemaakt. Hierdoor kregen we het persoonlijke verhaal te horen achter de droge feiten van de dossiers. Zij vertelden ons dat, in drie van de vier gevallen, de reden om naar het ziekenhuis te gaan puur was dat de moeder tekenen vertoonde dat de bevalling begonnen was. Een uitzondering daarop was een zwangere die leed aan sikkelcelziekte. Zij was de hele dag al ziek en nadat veel tijd verloren was gegaan door een lokale “dokter” op de markt te bezoeken, kwam ze pas in de avond in het ziekenhuis aan en toen was het eigenlijk al te laat en is ze kort na aankomst in het ziekenhuis overleden.
Opvallend was dat in alle gevallen een vrouw, meestal een (schoon)moeder of oudere zus met “ervaring”, en een man, meestal de echtgenoot of een broer, meeging naar het ziekenhuis ter ondersteuning. Zij hadden allebei een afgebakende rol. De vrouw ging mee voor praktische en psychische hulp aan het bed, zoals helpen met wassen en plassen, de verpleegkundigen roepen indien nodig en aanmoedigen en ondersteunen van de moeder als het moeilijk was. De man ging mee om allerlei dingen voor elkaar te krijgen. Hij moest op instructie van het ziekenhuispersoneel allerlei spullen voor tijdens de bevalling kopen, zoals handschoenen en medicijnen. Ook moest hij toestemming geven als er een indicatie was voor een keizersnede en was hij degene die het slechte nieuws in deze gevallen moest overbrengen aan de familie die thuis was achter gebleven.
Uit bovengenoemde blijkt al dat veel spullen in het ziekenhuis niet op voorraad waren. Zelfs bloed voor transfusie was niet in alle gevallen aanwezig. De familie werd gevraagd om dit te doneren op het moment dat de vrouw al aan het bloeden was. Daarnaast waren er in het ziekenhuis problemen met de elektriciteit en de hygiëne. Een schoonzus die we interviewden vertelde dat dit tot zeer angstige momenten leidde bij een vrouw die midden in de nacht in het pikdonker aan het bevallen was en geen idee had hoever zij al was. Later toen ze een lampje van thuis had gehaald bleek dat er nog bloed op de grond lag van degene die voor haar bevallen was.
De ervaring met het ziekenhuispersoneel verschilde aanzienlijk tussen de geïnterviewden. Twee families waren lovend en zeiden dat het personeel alle aandacht en zorg voor de moeder had, maar dat vanwege de ernstige omstandigheden en de wil van God de vrouw uiteindelijk was overleden. In de andere gevallen was de familie minder tevreden. Eén echtgenoot zag het personeel zelfs als oorzaak van het overlijden van zijn vrouw, omdat ze haar tijdens de bevalling negeerden en te laat de dokter hadden gebeld toen zij al uren bloed had verloren.
Zowel voor de overleden moeder als de familieleden was het een zeer heftige en emotionele gebeurtenis. In alle gevallen was minstens één van de geïnterviewden tijdens het overlijden aanwezig. Zij vertelden ons dat de moeders realiseerden dat ze gingen sterven, doordat ze hen bijvoorbeeld instructies gaven om goed voor hun kinderen te zorgen als zij er niet meer waren. Dit leidde tot een staat van doodsangst wat gepaard ging met intens huilen van de moeder. Ook voor de overgebleven echtgenoten had dit diepe sporen nagelaten en een aantal kon er met ons nog niet over praten vanwege de pijnlijke herinneringen.
We spraken met de familieleden ook over rouw en troost. Daarin kwam een aantal aspecten steeds terug. Het eerste was de bescherming van de overgebleven echtgenoot. Na de gebeurtenis werd hij op de compound in een kamer afgezonderd en omringd door enkele vrienden of familieleden en mocht hij zich verder niet bemoeien met de begrafenis en het regelen van de ceremonie. In één geval werd zelfs enkele dagen gewacht, voordat hij hoorde dat zijn vrouw was overleden, omdat men bang was voor zijn reactie. Het idee hierachter was dat het nauw betrekken in de gebeurtenissen rondom de dood van zijn vrouw hem alleen maar meer pijn zou doen en hij mogelijks zichzelf iets zou aandoen. Het tweede was de sterke religieuze duiding die gegeven werd aan de gebeurtenissen. Het berusten in de wil van God werd gezien als grootste doel van het rouwproces. Ook troosten de mensen elkaar veel met het vertellen van verhalen over anderen die hetzelfde hadden meegemaakt en met wie het nu goed ging, om daarmee te zeggen dat het met de persoon in kwestie ook wel goed zou komen.
Rondom het overlijden van de moeder werden veel culturele gebruiken toegepast, passend bij de stam waar de familie deel van uitmaakte. Zoals u inmiddels misschien weet zijn de meeste Dagomba’s Moslim. Dit stempelde ook hun rituele handelingen. Nadat de moeder was overleden en naar het mortuarium in het ziekenhuis gebracht was, werd ze gewassen door vrouwelijke familieleden en gekleed met witte kleding. Daarna werd ze naar buiten gebracht en werden eventuele problemen tussen haar en andere familieleden of vrienden, zoals schulden of ruzies, bijgelegd en werden verzen uit de Koran gereciteerd en voor haar gebeden. Vervolgens werd ze dezelfde dag begraven met het hoofd op de hand richting Mecca en bedekt met stokken, zodat het lichaam niet in contact kwam met het zand wat daaroverheen gelegd werd. Op de vierde tot de zevende dag was er dan een ceremonie waarbij veel vrienden en familieleden samenkwamen op de compound van de overledene en daar samen aten, baden en luisterden naar de Imam die verzen uit de Koran reciteerde.
Traditioneel gezien wordt bij de Konkomba’s en de Dagboma’s de dood van een zwangere vrouw gezien als een slechte dood. Vooral wanneer de vrouw komt te overlijden met de baby nog in haar buik. Bij de Konkomba’s was dit nog steeds sterk aanwezig en droeg dit een hele nare status. Men was bang dat het anderen in de familie ook zou overkomen als ze niet snel genoeg alle sporen van de overledene zouden uitwissen. Dit resulteerde in een sobere begrafenis en allerlei gebruiken van een traditionele kruidenkenner. Hij bracht allerlei offers, zocht contact met de voorouders en zorgde ervoor dat alle bezittingen van de overledene werden weggedaan. Zelfs het hout wat zij had gesprokkeld mocht niet gebruikt worden om vuur te maken, vertelde een geïnterviewde zus ons. De echtgenoot werd kaal geschoren en tijdelijk weggestuurd naar een andere omgeving. Het was voor hem heel moeilijk om een nieuwe vrouw te vinden, omdat eventuele toekomstige vrouwen bang waren dat het aan hem lag dat zijn vorige vrouw was overleden.
U kunt zich wellicht voorstellen dat dit indrukwekkende gesprekken waren, gezien de heftige gebeurtenissen die deze families recent hadden meegemaakt. Er kwam regelmatig verdriet en boosheid naar boven. Aan de andere kant was het mooi om een luisterend oor en een stukje troost te kunnen bieden in de vele trieste verhalen die we te horen kregen. Deze verhalen onderstrepen de noodzaak van het werk en de visie van Gerben en Dorien om de gezondheidszorg voor moeder en kind in het noorden van Ghana te verbeteren. Bidt u mee voor hulp en zegen in dit belangrijke werk?

Dirk-Jan van Ginkel